Reigers

Over blauwe reiger en woudaap en ook over stadsvogels

Blauwe reiger
Het was een uitroep van schrik en verbazing die overal in huis te horen was. Magistraal liet een levensgrote blauwe reiger zich in de vijver van ons postzegeltuintje zakken om direct daarna weer op te vliegen met in zijn bek de 30 centimeter lange goudwinde. Onze oudste en grootste vis sinds z’n broer door een collega van deze reiger was meegenomen. Ik heb de kleinkinderen nog geleerd de winde te voeren, matig uiteraard. Op een vast plekkie schoof een kinderhandje in het water, maakte wat bewegingen. Daar kwam hij direct op af om, tot hilariteit van de kinderen, een paar korrels voer te snaaien. Wat een kindervreugde!

Maar ook, wat een brutale rakker! Hij kwam na enkele minuten terug en ging brutaalweg op de rand van de aanbouw zitten. Pas toen ik de buitendeur opende, ging hij er met machtige vleugelslagen vandoor; met ingetrokken hals zoals hij altijd vliegt en vaak ook staat. Wit, zwart, grijs …..  een toefje sierveren op het achterhoofd en zwarte lengtestrepen aan de voorzijde van de hals.

Het is natuurlijk een vlegel deze vogel, maar wel een heel mooie! Als het kouder gaat worden, dan trek hij mogelijk verder zuidwaarts, Zo niet dan blijft hij en zal ik hem nog wel vaker op bezoek krijgen.
Blauwe reigers broeden in kolonies. Ooit zag ik een hele groep broeden in het stadspark van Groningen. Ze hadden hun nesten gebouwd in de toppen van een groepje bomen midden in het park.

‘Stadsvogels’
Een blauwe reiger in dorp of stad is helemaal niet bijzonder. Steeds meer vogelsoorten trekken naar de bebouwde kom. De verklaring is simpel. In hun oorspronkelijke habitat vinden ze weinig voedsel en/of nestgelegenheid. Inmiddels scharrelen scholeksters op het industrieterrein. Slechtvalken nestelen op hoge gebouwen die ze doen denken aan hun echte habitat: het rotsgebergte. En wat staat er op hun menu: stadsduif! Zwarte roodstaarten houden ook wel van die ‘neprotsen’.
Vogels die al veel langer mensen gezelschap houden, hebben meer moeite met zich staande te houden dan deze nieuwkomers. We ‘metselen’ onze huizen zo potdicht dat er geen kier meer overblijft voor een nestelende mus of gierzwaluw. Ze kunnen echter nergens anders heen, dus moeten we ze helpen. Voor gierzwaluwen hangen we kasten op of metselen neststenen in. Voor huismussen heeft een bedrijf dat ‘natuurinclusief’ wil bouwen, de vogelvide uitgevonden. Dat is een soort prefab nestkast die over de hele breedte van het dak onder de onderste rij pannen geschoven kan worden. Het duurzame alternatief voor het zogenaamde mussenschroot dat niet-natuurvriendelijke aannemers aanbrengen om mussen en spreeuwen juist te weren.

De reigerfamilie
De blauwe reiger is als ‘stadsvogel’ een buitenbeentje in de reigerfamilie. Hoewel je ook witte reigers steeds vaker dichtbij de mensenwereld ziet. Daar staan dan de ‘korthalzige’ reigers tegenover. Deze compacte, wat gedrongen vogels zijn notoir schuw, met de roerdomp als de meest teruggetrokken vogel. ‘Ik hoor je wel maar zie je niet.’  Bij heel wat vogelaars blijven op de lijst van waarnemingen de regels bij roerdomp, woudaap en kwak leeg.
Je zou denken, hoe komt een vogel nu aan de naam woudaap? Hij is het kleinste reigertje, niet groter dan een waterhoentje. Schrikt een woudaapje, dan vliegt hij niet weg, maar rent weg, klappend met zijn vleugels, richting riet. Daarin verdwijnt hij door er hals over kop in te klauteren.
NLGR-fotograaf Theo Jansen kreeg zijn woudaap voor de lens bij de Zevenhuizenplas/Rotterdam. Hij maakte gebruik van zijn gebiedskennis. Theo wist nl. dat er jaarlijks een paartje broedt. En dan nog moet je geluk hebben. En veel geduld!

Foto’s Theo Jansen en Will van Riel