Een ekster die geen ekster is

Klapekster

Over (Grote) klapeksters

Wintergast

Dat is toeval, ik had net naar een vogelvriend gemaild, dat ik graag nog even naar de Regte Heide wilde gaan om daar een laatste klapekster te spotten. Kort daarna rolden deze prachtige klapeksterfoto’s van Twan Mols binnen. Nu ik dit schrijf, is deze gast alweer naar Noord-Europa vertrokken zoals een wintergast betaamt. Bij Noord-Europa moet je denken aan Noorwegen, Zweden, Finland, Noord Siberië.

Heb je hem in je verrekijker, waarschijnlijk op zijn uitkijkpost in het topje van bijvoorbeeld een berk, dan vallen allereerst de zwarte vegen op die over de hele zijkant van zijn lichaam lopen. Het tweede kenmerk dat aandacht trekt, is de relatief grote kop. De zwarte veeg langs zijn kop is net het bandietenmasker van Zorro.
Jammer dat de grote klapekster niet meer in Nederland broedt. We zien hem enkel nog als doortrek- of wintergast naar schatting met zo’n 250 tot 400 soortgenoten. Groot? Hij meet ruim 24 centimeter.

Klapekster

Een klapekster is net zo min een ekster als een heggemus een mus is. Niet dus! Door zijn deels witzwarte verenkleed lijkt hij een beetje op een ekster. Zijn babbelend (‘klappend’ in ‘t Vlaams) geluid is ook enigszins vergelijkbaar met het geluid van een ekster. Geen wonder dat hij vroeger ook wel valse of halve ekster werd genoemd.

Heb je deze schildwacht van de heide, loerend naar een prooi, nog in het vizier, kijk dan eens wat beter naar zijn kop, in het bijzonder naar zijn snavel. Het is een haaksnavel. Heel geschikt om prooi mee te vangen. Geen wonder dat hij tot de familie van de klauwieren behoort, soms zelfs grote klauwier genoemd wordt.

Prooi die hij wil bewaren, brengt hij naar zijn voorraadkast. Dat is een boom of struik met geschikte takvorken om een prooi, een muis, een vogeltje, een groot insect of misschien een hagedis, in vast te klemmen. Soms prikt hij ze met zijn snavel vast op de doornen van een struik, een enkele keer op een stuk prikkeldraad. De scherpe nagels aan zijn poten zijn daarbij ook handige hulpmiddelen. Zijn voorraadkast hoeft niet propvol te zijn. Zo’n voorraadje is vooral handig als het regent en prooidieren schuilen.

Dat ik hem op de Regte Heide wilde gaan zoeken, is niet vreemd. Een open gebied als een heideveld met hier en daar een boom of struik is zijn ideale biotoop. Wat dan ook helpt: de grote grazers in de buurt. Die produceren de nodige mest en die mest is weer een walhalla voor mestkevers. Op hun beurt weer een smakelijke hap voor de klapekster.

Zo’n klapekster is dus bepaald geen alledaagse vogel, die niet voor niets als ernstig bedreigd op de Nederlandse rode lijst staat. Hij heeft een groot, tamelijk rustig gebied nodig, waar hij voldoende voedsel kan vinden. Twan Mols fotografeerde zijn klapekster op de Rielsche heide. Dat is heel bijzonder want dat is al lang geen heide meer. De Rielsche heide ligt weliswaar niet zo ver van de Regte heide af maar is vooral landbouwgebied.

Klapekster

Gilsche en Rielsche heide

Oude veldnamen rond Gilze maken duidelijk dat bijna alles ooit heide was. Zo ook het gebied tussen Gilze en Riel. Dat is weide- en akkervogelgebied en daarover schreef ik nog maar pas dat de bescherming van weidevogels hier op de tocht staat. Direct daarna stond in een Weekbladartikel over weide- en akkervogels de kop: ‘Het is nog niet te laat!’ Dat zinnetje legt de mengeling van hoop en wanhoop bloot die nu eenmaal hoort bij het beschermen van kwetsbare soorten in het algemeen en vogels in het bijzonder. Je vraagt je af waarom vogelbeschermers de gaten in hun schoenen lopen voor een heel beperkt aantal vogels. En je vraagt je ook af waarom er toch steeds weer boeren zijn, die daarbij willen helpen.
Ze houden dat vol omdat ze zich soms beloond voelen met het aandoenlijk klagende geluid van piepende kuikens, het zien van een vlucht kieviten, het horen van de opgewonden roep van een patrijs en het adembenemende gevoel bij het zien van een klapekster in je eigen gebied.

Foto’s: Twan Mols, tekst: Will van Riel